|
LICHT UITZINNIG
Het is heel goed mogelijk dat het u niet eens is
opgevallen, omdat u ongetwijfeld belangrijker zaken aan het hoofd
had. Toch is er een grote kans dat het onbewust ook uw gedrag heeft
beïnvloedt. Dit jaar voelde voor mij persoonlijk namelijk anders
dan alle voorafgaande. Laat ik mijzelf nader verklaren: zelf ben
ik zolang ik mij kan herinneren nooit geplaagd door enige vorm van
winterdepressie. Wanneer iemand tegen mij over deze ‘modegril’
begon, wuifde ik dat lachend weg en sneed snel een ander onderwerp
aan. Iets van wat lichtere en luchtigere aard.
Maar volgt u nu eens met mij het patroon van ‘t
afgelopen jaar: de neerslachtige novembermaand kwam ik schaterlachend
door; in de doorgaans donkere dagen van december ging ik fluitend
door het leven en het nieuwe jaar begon ik in januari goedgemutst
(al is het aan de lezer die mij her of der heeft zien opduiken om
te oordelen over de daadwerkelijke schoonheid van mijn wollen hoofddeksel).
Totdat de louwmaand ten einde liep en met het afscheuren van de
kalenderblaadjes naast het papieren kleinood ook mijn geestelijke
veerkracht in omvang afnam. Gevolg: ik werd in eerste instantie
uiterst prikkelbaar – iets dat mijn naaste omgeving nog niet
in die mate van mij kende. Vervolgens sloeg de vermoeidheid toe
en langzaam maar zeker begon ik mij ziek, zwak en misselijk te voelen
– hetgeen mijn productiviteit zeker niet ten goede kwam. Op
straat reageerde ik knorrig op goedbedoelde groeten van vriendelijke
voorbijgangers en nors beende ik door het leven dat er door mijn
oogharen steeds donkerder uitzag. Op het moment dat ik aan van alles
en nog wat de schuld van mijn sombere stemming begon te geven, realiseerde
ik me dat ik de oorzaak ervan beter in mezelf kon zoeken: voor mij
had de winter te lang geduurd!
Echter, zoals het cliché luidt: wanneer
de nood het hoogst is... is het voorjaar nabij (en een dergelijke
gemeenplaats zou niet overeind blijven wanneer er niet een kern
van waarheid in zou schuilen). Het was nog even bikkelen geblazen
– letterlijk en figuurlijk – tot de eenentwintigste
maart aanbrak, daarna was het nog een extra weekje doorbijten, maar
toen mochten we dan toch die eerste echte zonnestralen aanschouwen.
Persephone had zich wederom los weten te scheuren van de gehate
Hades en kwam ons als verpersoonlijking van de lente in een stralend
kleed tegemoet gelopen. Ja, met het naderbij komen van deze godin
uit de Klassieke Oudheid smolt alle neerslachtigheid als sneeuw
voor die spreekwoordelijke gouden bal en heel even leek het of de
aarde sneller rond haar as begon te tollen. En ook al was dat natuurlijk
maar schijn: dit soort schijn is mij van alle soorten die ik me
kan indenken toch wel het dierbaarst.
Klaarblijkelijk was ik niet de enige die er zo
over dacht. Opgeladen door de vrijkomende fotonen leek het afgelopen
weekend wel of de ingeslapen buurtbewoners weer weet kregen van
de buitenwereld: mensen kwamen weer de straat op; horecaondernemers
wierpen als de wiedeweerga hun terrasjes weer op aan de zonnige
kant van hun etablissement en in no-time waren deze afgeladen met
gezellig snaterende Amsterdammers – die daarmee het geluidsniveau
van de nabijdobberende eenden en ganzen ruimschoots wisten te overtreffen.
Het water waarin laatstgenoemden lustig rondspartelden, werd tot
aan het laatste golfje beschenen en het leek wel of er een laagje
glinsterend aluminiumfolie overheen getrokken werd dat zich telkens
leek te vernieuwen. De ’s winters soms zo koude en troosteloze
gevels van de veelsoortige huizen die Zeeburg rijk is, leken zich
te laven aan het terugkerende leven in de stad en de omgeving van
dat moment leek in niets meer op die van de dag ervoor. Hier en
daar kon je de eerste zomerjoggers al weer waarnemen, dewelke vast
en zeker voornemens waren komende zomer strak op het strand van
IJburg gezien te gaan worden. Bij de Turkse bakker werd ik onthaald
alsof ik er eregast was en even later op straat werd ik spontaan
aangesproken door een meisje (mag je daar nog van spreken wanneer
ze van gelijke leeftijd is en je zelf de dertig met rasse schreden
nadert) dat mij al vaker was opgevallen. Kijk, wanneer de situatie
zich dusdanig ten goede keert, moet je wel een raspessimist zijn
om niet te wensen dat het altijd lente was (het liedje indachtig!)
Natuurlijk, ik besef heel goed dat de vrolijkstemmende
weersomstandigheden nog maar een eerste aanzet zijn tot wat er nog
te komen staat. En ik weet heus wel dat lentekriebels de grote problemen
niet oplossen. Ik ben er niet eens zeker van of dit huidige beeld
zich in de komende tijd zal voortzetten; maar de wederopstanding,
het enthousiasme, de goede intenties en de positieve instelling
van de mensen die ik – zomaar, ergens op straat hier bij ons
in de buurt – plotseling begon waar te nemen, stemmen mij
vrolijk. Misschien een lichtzinnige houding mijnerzijds, maar is
het niet om uitzinnig van vreugde van te worden te weten dat de
nu volgende maanden ervoor zullen zorgen dat iedere herinnering
aan winterdepressies uitgewisd zal worden... En dat warmte de kou,
al is het maar voor een kwartaal of wat, ieder jaar weer zal verdrijven...
Ik? Nee, nooit ergens last van gehad!
M.J.C.A. Stout Vuurland, 05-04-2006
|