|
OPGEHOKT STAAT NETJES?
‘s Ochtends, vlak voordat ik echt wakker
begin te worden, klinkt er vanuit de gang een enthousiaste groet.
Niet veel later hoor ik dat er een sprintje wordt ingezet, een zeker
iets aan mijn voeteneinde neerploft, waarna het zichzelf een comfortabel
nestje maakt om zo het laatste kwartier van mijn nachtrust van een
extra stukje huiselijkheid te voorzien. Inmiddels is het een gang
van zaken die tot een vast ritueel uitgegroeid is en zowel mijn
poes als ik spinnen er garen bij: zij vlijt zich nog even in een
warm nestje; ik weet dat de dagelijkse taken weer voor de deur staan
en word daar op deze manier voorzichtig aan herinnerd. Niet te ruw,
maar vriendelijk en zachtzinnig. Wanneer ik aan het werk ben positioneert
ze zich regelmatig naast mijn computer. Als ware het om, indien
nodig, mij duidelijk te maken dat ik toch echt beter kan, of om
zo af en toe een bemoedigend knikje te geven wanneer zij ziet dat
het goed is. Na gedane arbeid, of wanneer ik voor mijzelf even een
pauze inlas, kan ik er donder op zeggen dat zij zich inmiddels op
de bank uitgestrekt heeft en daarbij het boek, waarin ik juist van
plan was te gaan lezen, als hoofdkussen gebruikt. Na enig gemor
en gemauw van haar kant laat ze haar zo-even geclaimde bezit uiteindelijk
gaan en zijn we weer even goede vrienden. Op de een of andere manier
heeft ze dankzij haar charme een plekje in dit huishouden weten
te veroveren en voor geen geld, gebod of verbod zou ik haar nog
willen missen.
Dit in schril contrast met wat mij onlangs via
diverse nieuwsbulletins ter ore kwam: de vogelgriep die in eerste
instantie nog langzaam terrein won, heeft haar opmars nu pas echt
goed ingezet en weet met de kwaadaardige H5N1-variant naast het
Verre Oosten praktisch de hele wereld – of op z’n minst
Europa – in een ijzeren wurggreep te houden. Beelden van dode
zwanen, eenden en ander gevogelte welke door mannen in veiligheidspakken
uit de een of andere rivier gevist worden, blijven voorlopig nog
wel even op ons netvlies gegrift staan. En net wanneer je denkt
dat het niet meer erger kan worden, duiken de nieuwsberichten op
dat het virus nu ook aan een kat het leven heeft gekost. Dat was
precies het moment waarop de bezorgde houding van mensen uit de
pluimveesector overstemd werd door afgrijselijke klanken uit de
samenleving. Was hier nog net geen sprake van grote volkswoede,
dan toch op zijn minst van de eerste tekenen van massahysterie.
De volkswoede kon tijdig afgewend worden door een ophokplicht voor
iedere katachtige in de getroffen gebieden en door een batterij
aan nijvere wetenschappers in te zetten die er als de kippen (excusez
le mot) bij waren om aan te tonen dat het betreffende virus niet
van kat op mens overdraagbaar was. De overheid had in dezen dus
in ieder geval niet gefaald. Maar meer dan één dag
mocht het helaas niet duren, of de indianenverhalen begonnen los
te komen. En wanneer dat het geval is, is er over het algemeen geen
houden meer aan: de publieke opinie keerde zich in de gevarenzones
tegen het kattenvolk en massaal begon men de tot voor kort zo beminde
gezelschapsdieren (ik vrees dat het deze groep mensen is geweest
die er enige jaren geleden op heeft aangedrongen het begrip ‘huisdieren’
om te munten in het uiterst nuffige, want afstandelijk klinkende
‘gezelschapsdieren’) zonder opgaaf van redenen bij asiels
te dumpen. Ja, het spijt me dit te moeten zeggen, maar lieden die
zonder kennis van zaken kiezen voor de eigen gezondheid –
hier mag men gerust zelfzuchtige motieven lezen – vind ik
ronduit eng, typerend voor de huidige tijdgeest en doen me het ergste
vrezen.
Wat dat betreft mogen we ons in de handjes wrijven
dat wij vooralsnog gevrijwaard blijven van dergelijke toestanden.
Want waar ik er bij onze Oosterburen vanuit meende te mogen gaan
dat men daar zo nuchter zou zijn de kalmte te bewaren, bespeur ik
in ons kleine landje aan de zee een klimaat dat er de laatste jaren
niet beter op geworden is. Mede dankzij de politieke gebeurtenissen
van de afgelopen jaren, gecombineerd met het hardvochtige beleid
van een niet nader te noemen minister heeft hier een sfeertje kunnen
onstaan waarin alles wat de man in de straat niet welgevallig is
zoniet opgehokt dient te worden, dan toch eigenlijk wel zou moeten
oprotten (en het liefst allebei, in die volgorde!) Men weet immers
nooit welke risico’s onbekende groeperingen met zich mee kunnen
brengen. Bovendien zou de instroom van asielzoekers de burger dermate
veel kosten, dat deze zou moeten vrezen voor zijn eigen hachje.
En is het daarnaast niet zo dat de criminaliteitscijfers onder deze
bevolkingsgroepen aanmerkelijk hoger liggen dan... Ach, laat ook
maar! Zoals altijd zijn ‘t de vreesachtigen die zo denken;
het zijn de mensen die uiteindelijk ontdekken dat zij dankzij hun
vrees nu net dat verloren hebben wat ze zo graag hadden willen beschermen...
de eigen verworvenheden. Hoewel ik mensen en dieren in geen geval
aan elkaar gelijk zou willen stellen, is het vanaf hier nog maar
een kleine stap terug naar onze snorrende viervoeter: Jazeker, ‘t
is een investering, maar de liefhebber weet dat deze zichzelf terugbetaalt.
En ja, hij of zij zorgt zeker ook wel eens voor overlast, maar dat
is meestal wel te herleiden (vergeten de bak te veschonen leidt
tot misplaatste ‘grappen’; per ongeluk nalaten brokjes
bij te vullen resulteert dikwijls in ‘broodroof’). Hoe
is dit samenlevingsverband dat getuigt van grote wederzijdse verdraagzaamheid
nu te verklaren? Eenvoudigweg doordat er zoveel tegenoverstaat;
doordat men er zoveel liefde en warmte voor terugkrijgt; doordat
het leven zoveel gezelliger is in een omgeving waar de ophokgedachte
niet dominant aanwezig is, maar de geest die in deze hokjes huist
juist vrijlaat...
M.J.C.A. Stout Vuurland, 12-03-2006
|