| Archief: Maart 2003, Simone
en het gifgroene kikkertje
Archief: April 2003, Ronde
vormen, brede kaken
Archief: Juni 2003, Van beest naar
mens naar bionisch monster
Archief: Februari 2004, Mode
d'emploie en de moordende onschuld
Archief: Juli 2004, Relnichten,
hun idolen en de heteroseksuele man
Archief: December 2005, De
hiaten in de herinnering der doorsneetypes
Archief: Januari 2006, Winterwende
Archief: Februari 2006, Futurum
Archief: Maart 2006, Een goede
buur, een verre vriend
Archief: April 2006, Opgehokt
staat netjes?
Archief: Juli 2006, Licht uitzinnig
Archief: Januari 2007, Het
belagen en het belang van beursbeesten (een Amerikaans sprookje)
STORMVOGELS
storm.vo.gel < de ~ (m.); ~s > 0.1
zwemvogel met zeer lange vleugels < Procellariiformis >
Hoogvliegers zijn niet zelden hoogdravers. De
thermiek ten volle benuttend, drijvend op een eindeloze hoeveelheid
golfstromen; luchtwervelingen; drukverschillen. Warmer, kouder,
en altijd maar dat onvergelijkbare vogelperspectief. Voor de mens
onvoorstelbaar. Voor de vogel gewoon. De vogels die normaliter het
luchtruim boven Zeeburg bestrijken; zij het kapmeeuw, zilvermeeuw,
of stadsduif. Niet voor hem, de trotseerder der rukwinden. Snaveldier
uit het geslacht der Procellariiformes, oftewel stormvogelachtigen.
Over het algemeen beweegt hij zich boven zee, of op zijn minst langs
het kustgebied. Regelmatig waant hij zich een albatros en volgt
hij schip en schipper. Waar hij zich waagt dansen de zeilen, stuift
het zand of rilt het helmgras. Hij zou eindeloos kunnen verhalen
over zijn avonturen. Zingen bij stemme van de meest vermaarde dichters.
Maar ook de man in de straat strekt hem tot voorbeeld.
Rijk taalgebruik, afgewisseld met de meest inventieve vondsten.
Communicatieve hoogstandjes doorspekt met emotie. Het gevleugelde
dier bedient zich net zo lief van gelardeerde volkscultuur als hooggeleerde
taalstructuur. Het houdt hem levend. Houdt de taal levend. Het is
dus niet verwonderlijk dat hij ook wel eens wil afdalen tot het
hoofdstedelijke niveau.
Een kakofonie van gutturale keelklanken dijt op
honderd meter hoogte in alle richtingen uit. Het is een winderige
wintermiddag in één der laatste januariweken. Meegevoerd
op gestileerde stromingen klinkt het geluid zeer schril en snijdt
‘t als glazen messen door de drie met het oog waarneembare
dimensies: ijselijk, scherp en rusteloos. De Valentijnkade lijkt
op het eerste gezicht verlaten. Hoog in de lucht klonteren witte
lichamen samen. Proppen watten die individueel van elkaar bewegen.
Niet van elkaar te onderscheiden duiken de vogels op en onder elkaar.
Bleke schaduwen werpend over de vaste kern van de zwerm. Wie er
zijn blik op laat rusten en voor dergelijke ervaringen openstaat
zou er een roterende mandala in kunnen ontdekken. Wie geestelijke
verruiming zoekt wellicht een psychedelische ervaring. Een vogelliefhebber
zou aan de aanwezigheid van zijn gevleugelde vrienden al voldoende
hebben. De feitelijke, lijfelijke aanwezigheid van al wat zweeft
en zwermt zijn voor hem voldoende bewijs van de rijkdom der natuur.
Rijkdom die zich geenszins in materiële vorm
uit, maar des te meer de geest doorboort en zich met weerhaken vastzet
in ‘t resonerend schedeldak. Mens en dier ontkomen niet aan
de overweldigende indruk die de buitenwereld, bestaande uit stedenbouwkundig
beleid en huiveringwekkend schone natuur, op hen uitoefent. Zelfs
de postbesteller, zich verdiepend in de gecodeerde taal van postcodes
en ambtsvoorschriften, parkeert zijn bestelwagentje even langs de
kant van de weg en onderwerpt zich vrijwillig aan de alomtegenwoordige
dwang van een onvermoed environmentaal totaalgeweld.
Niet geheel in tegenspraak met de verwachtingen
zijn er op dit vroege middaguur slechts weinigen om dit bovenzinnelijke
schouwspel gade te slaan. Enkel het objectieve oog van de waarnemer
die registreert en onbewogen opgaat in het geheel. Op moet gaan
om één te worden met het gebeuren. Als de verslaggever
die niet mag ingrijpen in ‘t strijdtoneel, teneinde de door
het lot bestemde, door het fatum vastgelegde gang van zaken niet
te verstoren. Als dat al objectief mag heten, dan komt het doordat
hij uiterlijk onbewogen is. Van binnen bonkt zijn hart en bruist
zijn bloed. Een spanning die hij voelt tot in zijn slapen. Dat te
kunnen uitschakelen. Hier, op dit moment. Al is het ook maar even.
Wanneer hij daarin slagen zal, is zijn onderneming eerst een succes
te noemen. Het succes van de eenling die zichzelf wegcijfert. De
eenling die opgaat in het hier en nu. Het bestaan rechtvaardigt
van het ongeziene. Alleen zo kan bij benadering de stelling weerlegd
worden dat wat niet waargenomen werd nooit werkelijk heeft plaatsgevonden.
Een onverwachte noodweer maakt zijn opwachting.
Deze donderdag dreunt zijn mokerslagen tegen gevels en losstaande
lichamen. Gedreven door instinct stijgen de wit-, zwart- en grijsgevederden
op naar plekken waar de aanhoudende stoten zo min mogelijk vat op
hen hebben. De ganzen op het water groeperen zich en zoeken haastig
naar een plek waar het bonkende natuurgeweld hen zoveel mogelijk
ontziet. Alleen de stormvogel, de vreemde eend met een ‘bite’
trekt – welhaast treiterend – nog enige strakke banen.
Alsof hij zeggen wil: ik mag hier dan wel niet helemaal thuis zijn,
aan de omstandigheden weet ik mij moeiteloos aan te passen.
Onder de spoortunnel bij de Oosterringdijk komt
opeens een fietser aangereden. Gedrapeerd in meerdere lagen shawls
en andere windsels is deze persoon nauwelijks als mens herkenbaar.
Het is de handeling van het bewegen der pedalen dat uitsluitsel
geeft. Achterop zit een kind dat vergelijkbaar goed ingepakt is.
Heel ver rijden ze niet door. Bij de halve ellips die als loopbrug
een verbinding slaat tussen ringdijk en kade houden ze halt. De
moeder haalt een goedgevulde plastic zak tevoorschijn, waarin brood
zit dat voor menselijke consumptie niet langer geschikt is. Goede
bedoelingen stranden echter in de totale afwezigheid van gevogelte.
Eendjes voeren op een dag als deze verdient geen aanbeveling. De
stadse veelvraat kan soms genadeloos hard zijn. Niettemin maakt
één dier aanstalten zich op het in de vaart gestrooide
kruimelwerk te storten. Deze weet de voedselvoorrziening voor al
dan wel niet tijdelijk ontheemden op juiste waarde te schatten.
M.J.C.A. 22-01-2007
|