| MODE D’EMPLOIE EN MOORDENDE ONSCHULD
Midden in de voortdurende hittegolf die ons nu
al dagen teistert, tel ik de zweetdruppels die als spuitwatergeisers
uit mijn onderarmen lijken te stromen. Zweetgutsen die ook mijn
rug niet wensen te sparen; mijn shirtje plakt als een reclameposter
voor reinigingsdoekjes over de achterzijde van mijn lichaam. Het
slangenskelet van mijn wervels accentueert deze schertsvertoning
alleen maar. Het tellen van het inmiddels tot golfjes aangewassen
lichaamsvocht staak ik wanneer ik bemerk dat het één
groot, spiegelend geheel aan het worden is; wat bij mij dan weer
de bespiegeling oproept dat een normaal mens toch vooral zweet bij
extreme lichamelijke en/of geestelijke inspanning. Geen van beide
is in dit geval op mij van toepassing. De heer des huizes gaat enkel
en alleen wat boodschappen doen.
Bij de supermarkt aangekomen word ik in een weldadige
wolk van koelte gewikkeld en voor het eerst sinds lange tijd prijs
ik de geneugten der vooruitgang (in dit geval dus de airconditioning).
Een zomerhitje neuriënd loop ik langs de boordevol etenswaren
liggende burgermanstorens. Hier en daar trek ik wat uit de schappen
en drop de kwetsbaar verpakte benodigdheden in de van handgrepen
voorziene plastic schoenendoos die als boodschappenmandje dienst
moet doen. Wanneer ik de vleeswarenafdeling bereik en met mijn lome
ogen het koelvak afspeur, hoor ik iets verderop twee dames –
onmiskenbaar moeder en dochter – die in een heftige woordenwisseling
verwikkeld zijn:
“Waarom heb je Manuel verdomme gezegd
dat ik hem niet wilde spreken?” “Omdat jij me dat gevraagd
had.” “Weet je, als ik jou iets vraag, geeft jou dat
niet automatisch het recht je met mijn liefdesleven te bemoeien.
Echt waar... het is niet te geloven! Ik weet dat je hem niet mag,
maar dit doe je nu altijd. En wat nu als hij het dit keer helemaal
voor gezien houdt?” “Meisje, rustig maar. Als jij zegt
dat je hem wel weer aan de telefoon wilt hebben, geef ik je hem
de volgende keer toch gewoon weer.” “Maar dat wil ik
helemaal niet!”
Moeder versus dochter. De fijne details hoef ik
verder niet te horen aangezien ik geen functie als beroeps-luistervink
ambieer. Ik grijp een afgeprijsd duopak blinde vinken en maak mij
uit de moede voeten. Aan het denken gezet door deze enkele terloops
opgevangen zinnen, scherp ik mijn gedachten onder het genot van
een slappe espresso uit de koffieautomaat.
Hoe komt het toch dat vrouwen, wanneer het slecht
gaat binnen hun relatie, hun moeder daarvoor verantwoordelijk lijken
te willen houden? Ik hoef maar terug te grijpen naar het geval van
de dichteres/schrijfster Sylvia Plath die, toen haar huwelijk met
Ted Hughes op de klippen dreigde te lopen, de intieme correspondentie
met haar moeder abrupt op een laag pitje zette; waarna ze in haar
beroemde semi-autobiografische roman ‘The Bell-Jar’
genadeloos met haar moeder – die toch zoveel voor haar betekend
moet hebben – afrekende.
“Die eikel heeft me het huis uit gezet!”
De overeenkomst tussen beide gevallen is frappant;
zowel in woordkeus als in situatie. En dit zijn slechts twee voorbeelden,
maar ik heb iets dergelijks al menigmaal in mijn nabijheid meegemaakt.
Wat ik dan niet begrijp is dat de ongetwijfeld goed bedoelende moeder
de wind van voren krijgt, terwijl het hier toch een ruzie tussen
een man en een vrouw betreft. Het zou me dan ook helemaal niet verbazen
als Manuel op dit moment juist bij zijn moeder troost aan het zoeken
is voor zijn zieleleed. Want dat is het grote verschil en daarop
zijn vast vele freudiaanse theorieën los te laten: het mannetje
ziet zijn moeder als iemand die hem kan steunen in zijn al dan niet
tijdelijke conflict; het vrouwtje lijkt haar moeder onder deze omstandigheden
als aanstichtster van alle kwaad te beschouwen. Tot zover schijnt
het me helder toe en terwijl ik mijn kruidenierswaren bij de kassa
afreken (ik heb een bonuskaart, maar hoef geen zegeltjes), vang
ik een laatste misplaatste snauw – geuit in afgrijzen om zoveel
‘onbegrip’ van haar moeders zijde – op:
“Ach mens, barst! Je snapt er toch geen
reet van. Ik ga wel naar Chimène. Van jou hoef ik toch geen
steun te verwachten!”
Wanneer de schuifdeuren van de grootgrutter zich
openen loop ik tegen de welbekende muur van verzengende hitte op.
Zowel de te verwachten warmte als het zo-even voorgevallene, maken
dat het duizelt in mijn hoofd. Kuierend over het asfalt –
dat in de verte lijkt te trillen alsof er rimpelingen van water
waarneembaar zijn – besluit ik nog even bij de plaatselijke
bibliotheek binnen te wippen om enkele psychologische werkjes van
de wonderdokter uit de vorige eeuw te bemachtigen. Ongetwijfeld
zullen deze door cocaïnegebruik geïnspireerde geschriften
een helderdere kijk op het tafereel en het fenomeen an-sich leveren.
Straks zal ik volgens de door mij eerder geponeerde
criteria reden hebben tot zweten. Ik zal zwoegen en proberen te
begrijpen; ik zal lezen, vernemen, aantekeningen maken en uiteindelijk
tot lichamelijke arbeid komen:
Ik zal een handleiding schrijven ter bevordering
van de onderlinge verstandhouding tussen dochters en hun moeders.
Al lijken de moeders intuïtief al aan te voelen wat ik met
een gedegen literatuurlijst hoop te schragen.
M.J.C.A. 12-08-2003
|