|
GRONDWET ONDER WOORDEN
Geenszins met de bedoeling een afdoende proeve van een door ons gehanteerde poëtica te leveren, zullen we desondanks pogen een wak te slaan in de ijslaag die alsmaar dikker groeit boven de hieronder te behandelen, in het koude water van desinteresse gedompelde, materie.
In de filosofisch-theologische discussie over of men nu wel of niet zijn/haar geloofsovertuiging in de kunst mag laten doorklinken, zijn in de loop der jaren meerdere tentenkampen opgeslagen tussen de X- en Y-as van een tweedimensionale touwtrekkerij. Er vanuit gaande dat de Y-wig de mate van waardering voor religiositeit representeert en de X-wam de antipathie tegen zulks een verschijnsel, kunnen we met een gerust hart stellen dat partijen die zich nestelen rond het zwart van één der passanten er even duistere denkbeelden op na houden - extremisten vindt men immers aan weerszijden van een kwadrant en niet geheel toevallig is de benaming van 'randfiguur' voor hen geheel en al op maat gesneden. Een tweetal voorbeelden kan wellicht meer licht op de zaak werpen:
Een religieuze reactionair, Ben Kortdohr de Boght, meent
dat kunst en overtuiging intrinsiek nauw aan elkaar verwant zijn.
Immers, is kunst niet bij uitstek het medium waardoor het licht
van 'het Hogere' vertaald kan worden naar aardse begrippen? Moet
de artiest - wil deze succesvol zijn - niet de diepste drijfveer
in zichzelf aanwenden om in het herscheppen van de 'bezielde' materie
tot een 'vervolmaakte' vorm te komen?
In zoverre heeft hij gelijk, dat beide vragen met een ietwat ongemakkelijk
'ja' te beantwoorden zijn. Maar, aangezien ons meer informatie
over dit heerschap voor handen is en we hem - indien we dat hier
zouden toestaan - verder zouden laten oreren, zal meer en meer blijken
dat het 'Hogere' voor hem synoniem is aan een godheid (of meerdere
godheden) en dat die 'diepste drijfveer' niet meer is dan een verzameling
holle frasen welke niet onderdoen voor de meest dwaze dogma's die
een mensenoor ooit, via schelp en tromgeroffel op een vlies, heeft
mogen ontvangen. Zijn wij allen niet bekend met deze totaal onzinnige
stelregels die ons vanaf de kansel, als beenderen voor een masochistische
hond, voor de voeten worden geslingerd?
Waar De Boght eerst nog stellingen poneert die hout lijken
te snijden, doen zijn uiterlijk voorkomen (hij is niet
mismaakt of zo, maar zijn schijnheilige, godvrezende tronie maakt
dat de steenpuisten op je rug vervaarlijk beginnen te jeuken) en
zijn tandenloze, geestdodende geprevel halen zijn betoog volledig
onderuit. Ons rest niets anders dan zijn zogenaamd diepzinnige mededelingen
af te doen als perfect bestudeerde en gerepliceerde zinsneden uit
een geloofsbrief van een middelmatige voorganger in het gebed aan
zijn onderdanige volgelingen; mensen van de volkomen Y-as; voor
hen bestaat er geen groter gelijk dan het zich vlijen in de nabijheid
van laatstgenoemde. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat naar mate
ze zich verder van het snijpunt der lijnen bevinden, ze steeds veelvuldiger
nare trekjes beginnen te vertonen: luidruchtig verkondigen is storend;
bekeringsdrift is in gelijke mate walgelijk en ziek!
Haaks daarop staan de houding van de atheïste Kate Omnyx. Kunnen wij
ons nog vinden in haar afkeer tegen de dweepzieke zielen die het
verkiezen zich gedurende hun hele leven elk genoegen te ontzeggen,
teneinde er na het sterven achter te komen dat de dood een koud,
twee-meter-diep gat in de grond is, of - en wellicht lijkt dat een
aantrekkelijker beeld - de binnenkant van een met fluweel gevoerde
urn op de schouw van nabestaanden die je, na het moment waarop je
nalatenschap met slag en stoot verdeeld is, net zo vlug weer vergeten
zijn en die vervolgens je gebrandmerkte kruikje van de schouw naar
een stoffig zoldertje verplaatsen; het kippenvel dat zij gewaar
wordt wanneer iets ook maar doorregen is met een zweem van, of een
toespeling op een religieuze tekst, dan wel een historisch bepaald,
ingeburgerd ritueel van godsdienstige komaf, is ons vreemd. K. Omnyx
huldigt de gedachte dat kunst louter de schoonheid dient: in kunstzinnige
uitingen ziet de innerlijke rijkheid van de mens het licht. Is het
niet inherent aan de artistieke vormgever die de mens 'van nature'
is, dat deze in zijn/haar scheppingsdrang een veelvoud aan zintuiglijke
waarnemingen ten volle te benutten?
Wederom worden wij geconfronteerd met gezichtspunten die
niet zo heel ver van de onze verwijderd lijken. Bij nadere
beschouwing zien wij echter dat mevrouw Omnyx met twee maten meet:
enerzijds benadrukt zij het belang van 'de innerlijke rijkheid van
de mens', wat zo gek nog niet klinkt, maar anderzijds is zij afkerig
van - ja, staat zelfs vijandig tegenover - het in zich opnemen van
welke informatie die maar riekt naar religiositeit dan ook; terwijl
onze samenleving juist is opgebouwd uit de brokstukken en versmelting
van diverse godsdienstige tradities en onze onmetelijke bron van
kennis daar onmiskenbaar diep in is geworteld. Haar tweede constatering
schijnt ook weer een klein lichtpuntje van inzicht te bevatten,
maar is uiteindelijk in volkomen contradictie met haar air van afstandelijkheid.
Want dat de mens 'van nature' een artistiek vormgever is, kunnen
en mogen we niet ontkennen; echter, wanneer we haar 'van nature'
zo strikt zouden opvatten als zijzelf dat lijkt te doen, zou de
mens het infantiele stadium dat van reflexen aan elkaar hangt niet
te boven komen en nooit-of-te-nimmer één wetenswaardigheid verwerven.
Wie niet wil leren, kan niets tot uitdrukking brengen. Indien de
gehele mensheid op haar manier zou redeneren, zou een zuigeling
wel een poging kunnen ondernemen de moederborst te omklemmen om
aan te geven dat deze honger heeft, maar de moeder zou het voeden
zonder de gevoelens te kunnen omschrijven die er ten opzichte van
het kind in haar wellen; de vader zou zijn liefde voor zijn partner
niet kunnen omschrijven: taal, schrift, onderlinge banden enzovoort;
allen kwamen gelijk op met de oer-religies en zijn verder uitgekristalliseerd
met de ontwikkeling daarvan.
Diep in de uitlatingen van Omnyx zien wij dus een halfslachtigheid
die het best te omschrijven is als huichelachtigheid, of
op zijn minst een kwalijke vorm van 'niet verder kijken dan de neurotische
neus lang is'. En zoals het net bij het andere uiterste een vorm
van slaafsheid was die de mensen in hun vooruitgang beperkte, zijn
het nu de X-wams die zich koesteren in hun weinig verheven positie
van eigenmachtigen met een enorme leerachterstand. Te ver de horizontale
lijn bewandelen om kennis te nemen van hen die daar hun toevlucht
gezocht hebben, zou uitlopen op een grote teleurstelling: de verstokte
atheïst in het oneindige heeft zichzelf door middel van te rigide
principes monddood gemaakt; diens starre, zelfingenomen houding
helpt de geest om zeep en verlamt de kracht van het lichaam. Van
alle energie ontdaan is die zielepoot nog niet eens bestand tegen
het zacht gefluister van een zogenaamde gelovige - wat in één oogopslag
nieuw licht werpt op het lange leven dat de meeste religies beschoren
lijkt.
Is er nou werkelijk zoveel inzicht voor nodig om toe te
kunnen geven dat het 'grote gelijk' wel eens niet zou kunnen bestaan?
Kennelijk wel: van beide, haaks op elkaar liggende, zijden wordt
er met scherp geschoten, waarbij de meeste patronen in gelijke hoeken
afketsen en tegengestelde doelen bereiken. Als het zo nog langer
doorgaat, is de tweespalt mogelijk beklijvend. Om een schisma binnen
de menselijke soort te voorkomen, zijn we genoodzaakt een derde
dimensie in het leven te roepen en aldus de voorwaarden te scheppen
voor een nieuw wereldbeeld; een nieuwe grondwet die de essentie
van een nieuwe kijk op het creatieve scheppen mogelijk maakt:
De Z-as is geboren en wij houden haar ten doop.
Deze Z(ij)-lijn zal de mate van afstandelijkheid moeten reflecteren
ten opzichte van het te bestuderen artistieke voorwerp. Verdeeld
over de hele linie zal het mogelijk zijn je positie te bepalen en
de individuele betrokkenheid bij een object zal af te lezen zijn
aan de plaats binnen het geometrisch spectrum. Grote verschuivingen
ziet men in stadia van vooruitgang over het algemeen niet vaak optreden,
maar aangezien het hier om een volledig nieuwe indeling van de ruimte
handelt en ieder mens vrij is om zijn of haar standpunt te herijken,
valt het te verwachten dat er binnen de kubus waarin wij kunstcritici
ons bevinden op den duur weer vrijer adem gehaald zal kunnen worden.
Als hier dan mettertijd een bestendig equilibrium uit voortvloeit,
wat is dan het te verwachten beeld van de opvattingen die we er
aan zullen treffen; en bovenal: welke opinie zal overheersen? Wij
vermoeden dat de grote massa als atomen rond de kern van middelmatigheid
zal gaan draaien. Zoals bekend heeft de massa geen mening en onder
de kenners van het te bestuderen métier zal men die vakbroeders
daar aantreffen die lof willen oogsten in de regionen van de overweldigende
eensgezindheid van het volk. Kunst? Geen eigen mening! "Wat zegt
mijn buurman?" en Godsdienst? Het kan vriezen, het kan dooien! "Het
is niet zo populair hè, om het hier luidkeels te gaan staan verkondigen,
maar ergens, diep van binnen, vind ik spiritualiteit toch ook wel
weer belangrijk". Onze democratie vraagt om een democratische opinie
en die zullen ze krijgen ook. Het zal ze door de opportunisten van
het artistieke tij tot bloedens toe door de strot geduwd worden;
niet goedschiks dan kwaadschiks!
Bij de tweede en derde groep is er een opmerkelijke verschuiving
vanuit het centrum merkbaar: een immens scala aan in meerdere
of mindere mate afstand bewarende tot de al dan wel niet fundamentalistische
grondbeginselen. Een als een waaier uiteenwijkende kluwen waar de
overtuigde atheïst de hand zal kunnen schudden van de voormalig
orthodoxe gelovige. Uitwassen blijven bestaan - ook dan - maar binnen
het selecte gezelschap van de connaisseurs zullen de rechschapenen
opstaan en - hoewel ze vergeleken met de afgezanten van de massa
in de minderheid zijn (maar die zijn, zoals we weten, neutraal en
doen er bij het peilen van de stemming niet toe) - over de extremisten
heersen door ze eenvoudigweg het zwijgen op te leggen. Hun denkwijzen
zullen gemeengoed worden en druppel voor druppel het culturele erfgoed
binnensijpelen. Artistieke waarde zal uiteindelijk afgemeten worden
aan de volheid van het tot uiting gebrachte, de er aan toe te kennen
waarde en de gepaste distantie die men zich ten opzichte ervan kan
veroorloven.
En wij? Wij zullen daarmee doorgaan, waar we ons tot op
heden mee bezig gehouden hebben: wij zullen een wakend
oog zijn in de strijd tegen de onverbiddelijke gezapigheid die op
den duur weerom haar intrede zal doen. Ze zal komen wanneer men
haar niet verwacht, maar men zal haar des te meer aan den lijve
ondervinden. Daartoe zijn wij hier en net dan, wanneer dat moment
van bloedeloosheid als gevolg van gestolde eensgezindheid aangebroken
is, zullen wij in de schijnwerper treden en met de 'Grondwet van
het Woord' een vierde dimensie - met het tikken van de klok als
symbool voor het plaatsen van artistieke manifestaties in hun juiste
perspectief - onder woorden brengen.
M.J.C.A. Stout Vuurland 17-11-'03 |