| Archief:
Een vogel, achtervolgd door twee straaljagers
Archief: Grondwet onder woorden
Archief:
Dankzij de wortels van het woord
LA ESTHÉTIQUE POUR LA ESTHÉTIQUE.
Car j’ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belles:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!
Charles Baudelaire, La Beauté
Dit placitum van Verlaine en in zijn kielzog meegrazende
proleten van ‘Tachtig’ na een zure oprisping herkauwend
en herijkend als het frisse gras dat steeds maar weer uit de grond
omhoog lijkt te schieten om als gedachtevoer voor herb-
en omnivoren te dienen – als waren zij lastig te verteren
stekels die vanwege hun neteligheid nog nimmer op de juiste smaak
geschat menen te zijn en dientengevolge hardnekkig vasthouden aan
hun ritueel van hergeboorte en langzame afsterving – bemerk
ik dat de bedorven en belegen denkbeelden die als vergeelde documenten
in mijn mond uiteen schenen te vallen, opeens een vastere structuur
beginnen aan te nemen; opeens met verser en frisser licht beschenen
worden in mijn wijd opengesperde, van gulzigheid glanzende muil.
Hoewel de weerspiegeling van de vensters op het leven buiten dit
vertrek een verbaasd, grootogig en sullige schijn van een koebeest
met schaapachtige grijns toont, staat mij daarentegen plotseling
helder voor de geest welke plaats ik in deze fictieve voedselketen
inneem: alle goedbedoelde waarschuwingen ten spijt verlang ik mij
tot de laatstgenoemde omnivoren te rekenen; verlaag ik mij tot hun
hoogte boven de grazige weiden. Wat mij goeddunkt zal ik vreten;
wat slecht bekomt braak ik weer uit.
Laat hierbij gezegd zijn dat het ‘l’Art pour
l’Art’-devies geproefd, beproefd en gebezigd, uiteindelijk
zijn verlokkelijke schittering en gelukzaligheid niet waar heeft
weten te maken; dat het na meedogenloos malen slechts smakeloos
en laf over lichtzinnige lippen terug pleegt te rollen. Dit grondbeginsel
verdient het predikaat ‘bijzonder ongeschikt voor consumptie’
en heeft dientengevolge de geheel vrije keuze om op één
van de twee door mij strikt gehanteerde behandelmethoden getrakteerd
te worden: totale verwerping, of herdefiniëring. Wat zegt u:
woorden van verlopen houdbaarheidsdatum? U wilt een nieuwe jas?
Weet wel dat deze kleermaker de vervelende neiging bezit u strakker
in het hemd te snoeren dan u wellicht lief is. Beseft dat deze snijder
u van katoen geeft op die plaatsen waar hij u het lichtst fileert:
daar waar uw voornaamste kenmerken in gelegen zijn; daar waar u
het meest uzelf bent. U bedankt liever voor die eer? Helaas, u heeft
al gekozen en de eerste keuze is allesbepalend. Reeds raakt het
scherp van mijn mes u aan uw oorspronkelijke levensader. Neemt u
toch afscheid van uw, inmiddels voormalige, voorkomen en bereidt
u allen voor op een wedergeboorte die langer van stof, doch nauwer
omschreven zal zijn. Bereidt u allen voor op de incarnatie van ‘La
Esthétique pour la Esthétique’! Gewent u aan
deze naam, want u zult er voortaan – waar u ook maar opduikt
– mee aangesproken worden. Men zal u kennen en weten in deze
hoedanigheid; men zal u als zodanig behandelen.
Zolang de mensheid zich heugen kan, heeft zij de schoonheid
der dingen, de aangelegenheden die als esthetisch ervaren worden,
beschouwd als waren zij gegeven en immanent. Wat te boek
staat als zijnde ‘schoon’ en ‘aangenaam’
neemt zij binnen deze zin iets te letterlijk. Het zou immers betekenen
dat waarden onveranderlijk en vast besloten liggen in een buitenzintuiglijke
wereld. Maar elk zelfdenkend en scherpzinnig wezen zal het toch
met mij eens zijn dat wat vandaag reeds voor mooi doorgaat, gisteren
die hoedanigheid nog niet bezat. Sterker nog: mogelijk als weerzinwekkend
werd ervaren. En evenzo zal de nabije toekomst oordelen over onze
huidige stellingnames. Niet meer en niet minder zijn deze, aangezien
zij buiten de schouwende geest geen bestaansrecht hebben: stellingnames
ten opzichte van een onbezield universum! Schoonheid is in die zin
een kwaliteit die ieder voor zich nader mag – maar over het
algemeen niet kan – bepalen; een eigenschap die al dan wel
niet aan een bepaald object kan worden toegekend.
Voorwaar, in strikt biologische en/of psychologische zin
heeft de wetenschap het esthetisch begrip kundig weten in te lijven
en van welomlijnde kaders weten te voorzien. Met als bijkomend
voordeel dat fysieke aantrekkingskracht bij de reproductie van de
soort een niet te onderschatten, ja zelfs in menig opzicht nagenoeg
allesbepalende factor is, zijn zij gerechtigd de systematiek achter
deze bevinding aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Deze meevaller
hebben zij meestal ten zeerste op waarde weten te schatten en zij
zijn – al is deze stelling wellicht wat overtrokken –
daarbij zelfs onvermoede zijwegen ingeslagen. Zo kwamen de ijkers
van falsifieerbare waarden de relatie tussen aimabel gevonden worden
en uiterlijke schoonheid op het spoor. Mensen met een aantrekkelijk
voorkomen vinden eerder een partner, gemakkelijker een baan en wanneer
zij eenmaal middels hun looks in deze gunstige posities terecht
zijn gekomen, blijken zij beduidend succesvoller in het bewandelen
van de weg naar het grote geluk. Ja, zelfs het feit dat zuigelingen
opvallend vaker positief reageren op een naar algemene maatstaven
gemeten mooi iemand, dan op een persoon die deze fysieke kenmerken
in mindere mate bezit, spreekt in dit opzicht lijvige boekdelen.
Het zal niemand verbazen dat symmetrie voor een belangrijke mate
het toegekende waardeoordeel bepaalt, alsmede het vermogen de meest
in het oog springende kwaliteiten te accentueren en waar mogelijk,
binnen de grenzen van het acceptabele, wellicht zelfs nog ietwat
uit te vergroten. Saillant detail is dat aan de omgeving conformerend
gedrag in de schoonheidsbepaling meegenomen wordt: iemand die min
of meer voorspelbare karaktertrekken bezit scoort hoger op de aantrekkelijkheidsschaal
van de samenleving dan de spreekwoordelijke vreemde eend in de bijt.
Het behoeft waarschijnlijk geen nadere toelichting dat er aan een
dergelijk schoon bestaan ook randvoorwaarden kleven; maar deze zijn,
bezien in het licht van het grote geheel, welhaast te verwaarlozen.
De mens die klaarblijkelijk alles meezit en niettemin zijn beklag
doet enkel en alleen op de buitenkant beoordeeld te worden, loopt
eerder de kans met spot en hoon overladen te worden, dan dat het
oordeel – oftewel de spreekwoordelijke vleeskeuring –
ten faveure van de beklagenswaardige bijgesteld wordt. Pek en veren
is hun lot... pek en veren: in die volgorde en voor de duur van
een mensenleven!
Maar waar blijven deze dialectische jagers, deze natuurvorsers
en geesteswetenschappers wanneer de Elysische Velden van de metafysica
betreden worden? Want daar is genoemde schoonheid immers
bij lange na niet zo meetbaar; daar groeit zij uit tot rekbaar begrip
en daar hult zij zich – in tegenstelling tot wat zij in de
buitenwereld pleegt te doen – in nevelen. Zo nu en dan toont
zij haar fijngesneden gelaat, om zich vervolgens in allerijl weer
terug te trekken in haar onontwarbare sluiers. Menigeen heeft er
inmiddels zijn hoofd over gebroken, maar tot een algemeen geldende,
telkens weer opgaande formule is het nooit gekomen. Wat erop kan
wijzen dat er, wanneer de beschouwelijke kant van de esthetica in
het geding is, geen eenduidig antwoord te verwachten valt; dat het
inzake de zinnelijke genoegens die men aan schoonheid ontleent wel
eens een zuiver individuele aangelegenheid zou kunnen zijn; niet
meer en niet minder dan een unieke, strikt persoonlijke ervaring
die voortkomt uit – van een zekere norm afwijkende –
overerfelijke voorkeuren en bepaalde, aan positieve herinneringen
gelieerde associaties. De Parabel van de Pasja en de Passant is
mogelijk in staat een klaarder net van licht werpen over de precaire
toestand binnen het vakgebied van deze door onzekerheid geplaagde
wijsgeren: een vreemdeling op doorreis krijgt aan het hof van een
Oosterse vorst een warm onthaal. Laat in de avond, na een reeks
van lange en onderhoudende vraag- en antwoordgesprekken waarbij
de beker regelmatig bijgevuld wordt en de waterpijp veelvuldig rondgaat,
biedt de monarch de reiziger een sensuele dans aan van een gesluierde
schone uit zijn omvangrijke harem. De gelukkige man wordt zelfs
de vrijheid van keuze gelaten om te bepalen wie er voor hem mag
dansen. Eén voorwaarde wordt echter duidelijk gesteld: de
danseuse mag gracieuze bewegingen maken, verleidelijke toespelingen
doen en suggestieve poses aannemen, maar in geen geval mag zij een
van haar sluiers afwerpen. Het genereuze aanbod lijkt te mooi om
waar te zijn en de inmiddels weer van zijn vermoeidheid herstelde
verkenner neemt zich voor een weloverwogen beslissing te nemen.
In eerste instantie gaat zijn keuze uit naar deze; niet veel later
valt zijn oog op gene. Overweldigd door het enorme aantal haremdames
kan hij echter niet op rationele gronden besluiten. Bevreesd deze
unieke ervaring mis te lopen, neemt de man een wellicht overhaaste
beslissing op basis van gevoel. Nee, op andere gronden had hij ook
niet tot een beslissing mogen komen: het getal was te groot, de
diverse eigenschappen te ongewis en zijn eigen geest te wankel.
Door intuïtief de gratie te benaderen zal hij haar ten volle
kunnen genieten. Welke factoren de balans in deze richting hebben
doen doorslaan, zijn in feite niet zozeer van belang. Het kleinste
detail kan een rol gespeeld hebben, maar zoals gewoonlijk het geval
is ontsnapt zo’n detail aan het directe bewustzijn. Wat er
daarentegen wel toe doet is dat de verrukte toeschouwer, naarmate
de dans zijn climax nadert, meer en meer overtuigd raakt van de
juistheid van zijn keuze. Achteraf is hij zelfs de mening toegedaan
dat het zo en niet anders heeft moeten zijn; dat hij het onderste
uit de kan gehaald heeft, terwijl hij in feite geen details heeft
kunnen waarnemen en al helemaal geen vergelijkingsmateriaal tot
zijn beschikking heeft gehad. Desondanks waant hij zich een uiterst
gelukkig mens en doet zichzelf daar een belangrijke dienst mee.
Dit zit nou eenmaal in de aard van het beestje...
Echter, niet alleen hen die begiftigd zijn met de systematische
rede zou ik hier voor mijn door op hol geslagen paarden getrokken
karretje willen spannen... Neen, eenieder die overtuigd
is van zijn goede smaak en daar goede gronden voor meent aan te
kunnen of mogen dragen, zal onderworpen worden aan de verpletterende
waarheid van mijn wagenwielen; aan de vernietigende aanblik van
het hoefgetrappel afkomstig van mijn op hol geslagen span. Immers,
wat ik om mij heen meen waar te nemen, is een toenemende mate van
vervlakking. Het geheel is inmiddels de som der delen geworden,
of toch in ieder geval niet meer dan een gemiddelde daarvan. Me
bedienen van vleeswaren – al waren het ook nog zo’n
fijne – als metafoor lijkt mij in een discussie over schoonheid
als opzichzelfstaand begrip een gotspe, maar toch zou ik graag als
slager en criticaster van de gegoede burgerij de vetrandjes van
de middelmatigheid willen wegsnijden; zou ik de schijnbaar botloze
structuur van het van vindingrijkheid gespeende restvlees nogmaals
aan een grondig onderzoek willen onderwerpen en waar nodig tot en
met de grootste klonters der gezapigheid aan toe fileren. Eenheidsworst
duikt gewoonlijk op in tijden die om verbroedering vragen; echter,
in lange tijd is er geen era geweest die zo op de polarisatie gericht
is als de huidige. Het gaat mijn verstand dan ook ver te boven en
‘t stemt mij bijzonder droef te moeten constateren dat de
eigen meningsvorming weliswaar nog nooit zo benadrukt werd als vandaag
de dag, maar dat er desondanks zelden zo weinig eigen initiatief
aan de dag werd gelegd om deze tot een persoonlijke constructie
uit te bouwen. Want zegt u nou zelf: wat moeten we met één
schoonheidsideaal? Wat schieten we ermee op als de ene persoon de
andere napraat en we uiteindelijk opgescheept worden met een keuze
uit twee gelijken?
Recapituleren aan het eind van een relaas is over het algemeen
geen overbodige luxe. Helemaal wanneer het een hoeveelheid
aan schier-onoverzichtelijke materie betreft, hetgeen hier toch
het geval mag heten. Mijn voorkeur gaat er echter naar uit een dergelijke
opsomming achterwege te laten. De punten die ik hier aangestipt
heb, de stellingen die ik hier geponeerd heb dienen slechts één
doel; zijn enkel de opmaat tot hetgeen ik eigenlijk wil zeggen:
een leven dat geen schoonheid kent is geen geleefd leven. Een leven
waarin waardebepalingen – hoe subjectief ook – geen
rol spelen is het niet waard ten einde toe uitgezeten te worden.
De mens die, ondanks dat hij in meer of mindere mate door tegenslagen
geplaagd wordt of zal worden, geen tegenwicht weet te bieden aan
de sleur van alledag middels het zich toe-eigenen van kleine of
grote genietingen is in alle opzichten een arm mens. Ja, degene
die zich niet de moeite getroost een eigen lapje grond af te bakenen
in deze wonderlijke woestijn en deze dorre vlakte met enige liefde
en inspanning weet om te toveren tot een persoonlijk paradijsje,
zal als een arm mens sterven. Esthetiek om de esthetiek is juist
daarom de moeite waard, omdat door deze kijk op het leven een belangrijke
extra dimensie aan de wereld wordt toegevoegd. Schoonheid om de
schoonheid is juist daarom zo bijzonder, omdat ieder er zijn persoonlijke
invulling aan kan geven. Los van loze deviezen is het dus zaak dat
we grazen op groene weiden, woelen in vruchtbare aarde, drinken
uit lessende bronnen; maar daarnaast zullen we ook nog oog moeten
blijven houden voor de onontgonnen gebieden, de woeste hoogten en
de duistere plekken waar tot op heden geen lichtstraal doordrong.
Ik ben ervan overtuigd dat de persoon die zich op deze wijze voedt
een exclusieve smaak zal ontwikkelen en blijvende vreugde zal ontlenen
aan al het nieuwe dat hem gedurende de loop van zijn verdere leven
zijn pad zal kruisen.
Maar waarom zou ik mijn woorden verspillen aan hen die
op zoek zijn naar de directe bevrediging? Waarom zou ik
mij inspannen voor het gros dat op zoek is naar kortstondig geluk?
Waarom zou ik preken voor een parochie van patatvreters wier grootste
geluk gelegen is in het verorberen van een kroket of broodje bal?
Eigenlijk is me dat teveel moeite... Wat zou ik me met anderen bemoeien?
Ik heb nog een jas in te nemen: eentje van ruim honderd jaren oud.
Ik zal hem van zilveren stiksels voorzien en er een labeltje in
naaien waarop in sierlijke letters ‘La Estétique pour
la Esthétique te lezen staat. Neen, zo’n jas is schijnbaar
niet voor iedereen... Maar die van mij kan voorlopig weer een tijdje
mee!
M.J.C.A. 07-01-2006
|