| EEN BLOEDAKKER
een volk dat zijn giganten spuugt
bedelft onder het smerigst’ vuil
de christenhond dusdanig
vreest dat elke blaf een
beet hem schijnt vreest
dat niet ook zichzelf
het vreest de wrake zelf
bezie de man met klare krans
van stralende gelovigheid een
onderdaan een goede vriend
die blaakt van zijn
bevlogenheid wat
zich in smaad
vertaalt
thans heet hij onverlaat
de soort die voor verstrooiing zorgt
dicht liederlijk uit zelfbehoud
het zelfbedachte rijk nog
schuwt dat leven tegen
weten prijst schuwt
dat niet beter zelf
zij schuwt de schaduw zelf
bestem de man op stenen muur
niet klagend tot voorzangigheid
’n hoognatuur en volkse
held gebukt onder
opstandigheid de
daad die dood
bepaalt
gehoorzaam apparaat
iskariot iskariot
dichotomie
spagaat
M.J.C.A. 25-07-2006
|